wie zijn we / soorten anesthesia

Wie zijn we

Volledige Narcose of Algemene verdoving

Voor men u in bed naar de operatiezaal brengt geeft men u een pilletje (soms spuitje) waar u in het algemeen rustiger van wordt.

Bij aankomst in de operatiezaal legt men nodige controleapparatuur aan zoals: klevertjes op de borst om de hartfunctie te volgen, een klemmetje op de vinger om het zuurstofgehalte in het bloed te meten, een bloeddrukmeter,… In de arm of hand wordt een prikje gegeven en een infuus wordt aangesloten. Hierlangs kunnen alle medicaties en noodzakelijke producten gegeven worden.

Via een masker krijgt u meestal nog extra zuurstof voor de longen. Langs het infuus dient de anesthesist u een snelwerkend slaapmiddel toe zodat u verder niets ervaart van wat gebeurt. Andere geneesmiddelen en infusen noodzakelijk voor de ingreep worden toegediend.

Bij jonge kinderen, of wanneer nodig, kan de anesthesist een masker gebruiken waarlangs snelwerkende slaapdampen via de luchtwegen opgenomen worden.

Tijdens de ingreep verschaft de bewakingsapparatuur continu informatie aan de anesthesist. Hierdoor zal hij in staat zijn u veilig door de operatie te loodsen.

Locale (locoregionale) anesthesie of verdoving

Voor men u in bed naar de operatiezaal brengt, krijgt u soms een pilletje waar u in het algemeen rustiger van wordt. In de operatiezaal krijgt u in de arm een prikje waaraan een infuus bevestigd wordt om producten toe te dienen. Andere bewakingsapparatuur wordt ook aangelegd.

Bij een locale verdoving wordt alleen het voor de ingreep noodzakelijke deel van het lichaam, gevoelloos gemaakt door een prik. Er kan wel iets toegediend worden dat u slaperig of onverschillig maakt. Meestal blijft u wakker tijdens de ingreep. Van de operatie zelf ziet u niets. De prik die u krijgt is niet pijnlijker dan een gewone injectie en kan in de rug, hals of oksel, of ader gegeven worden.
De plaats waar geprikt wordt hangt af van welk lichaamsdeel verdoofd moet worden.

Een ruggenprik verdooft het onderste deel van het lichaam, variërend vanaf borst of navel tot aan de tenen.
Via een dun naaldje spuit de anesthesist een verdovende vloeistof in. Uw benen kunnen tintelen, warm of slap worden en tenslotte gevoelloos.

De hals of okselprik verdooft alleen de arm. Hierbij worden de zenuwen opgezocht met een naaldje dat kleine stroompjes uitzendt en onder echografische geleide. Telkens het naaldje in de buurt van een zenuw komt, voelt u een licht elektrisch schokje. Zo kan de anesthesist nauwkeurig de juiste plaats bepalen die moet verdoofd worden.

Om een lidmaat (meestal de arm) te verdoven kan men ook het verdovend product in de ader houden (= intraveneuze regionale anesthesie) De werkingsduur van al deze verdovingstechnieken hangt af van het gekozen product en wordt aangepast aan het type operatie.

top^